Opent in een nieuw tabblad
Overnachten

Uit de geschiedenis van Nieuw Sion

Uit de geschiedenis van Nieuw Sion

Tijdens de vriendendag in juni las Peter Dullaert voor uit het boek dat op het symposium ‘Tien jaar Nieuw Sion’ zal worden gepresenteerd. Het boek behandelt de periode 1950-2025. Als voorproefje hier alvast een fragment uit het eerste hoofdstuk, ‘De ‘strenge’ tijd (1950-1965).’

‘Het leven van alledag binnen de kloostermuren van een trappistenklooster in de vijftiger en het begin van de zestiger jaren was nog ‘middeleeuwser’ als je zou denken. En net zo streng of nog strenger als het leven van de eerste cisterciënzers 850 jaar eerder. Om een idee van dat leven in de strenge tijd te geven, beschrijf ik in wat volgt de dagelijkse gang van zaken op één dag uit het leven van een trappist in die tijd.

Laat ik met de nachtelijke uren beginnen. Vóór de hervormingen van het Tweede Vaticaans concilie, was de orde van de ‘Cisterciënzers van de strikte observantie’ een groep religieuzen die van boven af door een generaal abt en een generaal kapittel werd geleid. Bestuur van boven af dus en weinig van onderop. En dat betekende dat de regels voor het dagelijks leven in principe in ieder trappisten- en trappistinnenklooster gelijk waren. Deze regels schreven voor – ook hier weer gebaseerd op de Regel van Benedictus – dat alle monniken samen, op een slaapzaal zouden overnachten. In abdij Sion gebeurde dat onder een houten tongewelf – dat lijkt op dat van de kloosterkerk – boven een slaapzaal op de eerste verdieping van de westvleugel. Op die grote zaal – die sinds het wegbreken van later daar gebouwde kamertjes oftewel ‘cellen’ – weer helemaal open is, werd de nacht doorgebracht.

Iedere monnik had er een zogenaamde ‘chambrette’; dat wil zeggen een ruimte die van de buurman was afgescheiden met dunne schotten. Aldus ontstond een ‘kamertje’ maar dan zonder plafond of deur. In het deurgat hing wel een gordijntje en in de ‘chambrette’ was één plankje om iets op te zetten en er waren twee kledinghaken. Op het bed lag een strozak als matras, een kussen en één deken. En de slaapzaal was – zoals de meeste ruimten in het klooster – onverwarmd. Het laat zich raden dat alleen vaste slapers hier goed sliepen, want het was natuurlijk zeer gehorig en ’s winters ijskoud. Nu duurden de nachten ook niet erg lang, want s’ nachts om 2.00 uur begon de eerste ‘oefening’ oftewel gezamenlijk gebed in de kloosterkerk – het zogenaamde’ klein officie van de Heilige Maagd Maria’. Dat was in de zomer dus na 6 uren slaap, als het tenminste gelukt was om de vorige avond direct om 20.00 uur in slaap te vallen.

In deze strenge tijd werd er al wel een zomer- en winterrooster gehanteerd bij de trappisten, wat inhield dat men vanaf 14 september – wanneer de wintertijd begon – al om 19.00 uur naar bed ging, wat één uur extra nachtrust betekende. Voor het gemak houd ik in mijn relaas nu echter de zomerse tijdsindeling aan.’